Stichting Fondduiven.nl

Welkom bij Stichting Fondduiven.nl

Nu online op fondduiven

We hebben 311 gasten en geen leden online

top

nlzh-TWenfrdeitjaptrues

Het verhaal van het ras Stichelbaut uit de boeken der herinneringen van de duivensport speelt zich af in het West-Vlaamse dorp Lauwe, gelegen aan de rivier de Leie en tegen de Belgisch-Franse grens. Het geniet in de duivensport heden ten dage nog steeds een wereldbekendheid. Denk maar b.v. aan de hedendaagse grote kampioen Patrick Delrue-Vanbruaene uit Lauwe, kleinzoon van een der grootste uit het verleden, n.l. Andre Vanbruaene.

Een aantal van deze beroemdheden uit het verleden schreven onuitwisbare geschiedenis in de nationale en internationale duivensport. Een van deze beroemdheden welke het dorpje Lauwe rijk was, was ongetwijfeld de legendarische Aloïs Stichelbaut.

 

 

 

In het verhaal, bestaande uit drie delen, zullen we trachten een beeld te geven over het ontstaan, de opbouw en de verdere uitbouw van het wereldberoemde ras Stichelbaut. Het is zo te noemen een drieluik ofwel trilogie en bestaat uit de drie delen, `de oorsprong`, de `opbouw` en de `voortzetting´ van het ras Stichelbaut. In deze drie luiken staan dan de namen vermeld van Alfons Derumeaux, Aloïs Stichelbaut en Michel Descamps – Van Hasten. Allen wonende rond de kerktoren van de Sint-Bavokerk in Lauwe.

 

 Alfons Derumeaux.

In de oorsprong van het wereldberoemde Stichelbaut ras vinden we de naam terug van de familie Derumeaux uit Lauwe. Deze duiven hadden een grote invloed in het tot stand komen van de Stichelbaut stam. Vader Alfons Derumeaux was jarenlang een kampioen op de Vitesse vluchten tot 300 km, zoals Clermont, Creil of Dourdan. Maar wist ook goed zijn prijzen te spelen op de verdere vluchten zoals Etampes en Angouleme.

In de opbouw van het hok Derumeaux  kwamen  o.a. de namen van ene Leo Bekaert uit Kortrijk voor en wel  uit diens  bekendste duiven zoals de “Poene”, “Striepke”, “Oude Crayonné”. Verder haalde Alfons Derumeaux duiven bij Wardje Ranson uit Spiere, zoals uit de “Mechant”. In deze duiven zaten de soorten van Mariën, Commine, Hansenne, Vander Espt, Wegge, Blondeel Vandevelde.  

Deze basisduiven kruiste hij later met duiven van de Gebr. Cattrysse en Maurice Delbar en eveneens met het Commine´s soort van Pastoor Brusseel te Gijzegem.

 

Vader Alfons overleed in 1928 en de duiven werden overgenomen door zijn zoon Marcel. Na de tweede wereldoorlog heeft Marcel de stam welke zijn vader opgebouwd had verder levendig gehouden en werd een der groten van de Belgische fondwereld.

Vaak werd er beweerd dat de Derumeaux duiven, de Stichelbaut duiven waren of nog zouden zijn. Dit beruste op een onjuistheid, want de Stichelbaut duiven voeren het bloed van de Derumeaux duiven in hun aderen.

Ook de Gebroeders Cattrysse waren regelmatig op bezoek bij Derumeaux om versterking van hun stam. Deze duiven vertoonden enige gelijkenis met de Stichelbaut duiven. De doffers waren middelmatig van gestalte en de duivinnen waren kleiner van model. Ze waren uiterst geschikt voor de langste afstandvluchten onder de hardste weersomstandigheden. De Stichelbauts waren overwegend donker van kleur terwijl de Cattrysse´s overwegend blauw, donker geschelpt en witpennen waren.

 

Marcel Derumeaux als waardig opvolger van vader Alfons

 

Zoon Marcel Derumeaux deed in 1955 een samenkweek met de Gebroeders Cattrysse. Marcel kwam op een marktdag in Kortrijk tot een akkoord met Oscar Cattrysse om een samenkweek te doen. Van de Gebroeders Cattrysse kwam de doffer “De 12” van 1949 welke een zoon was van hun stamkoppel “Pette” en “Mette” met een dochter van de “Oude Witoog”. “De 12” kreeg als eega “Het Oud Blauw 44” nog van het oude ras van vader (Ranson x Cattrysse x Delbar). “Het Oud Blauw 44” had bij Derumeaux al verscheidene zeer goede duiven gegeven en een ervan was o.a. de moeder van de “Oude Barcelona” van 1950, welke in 1953 de 1e prijs won uit Barcelona met 2 uur vooruit. Het koppel zat voor een koppel eitjes samen en elk kreeg er een mee.

Uit deze samenkweek sproten twee doffers en zowel bij de Gebr. Cattrysse als Marcel Derumeaux werden het twee top verervers en zorgen voor roemrijke nazaten.

Een kweekduivin van Marcel Derumeaux uit de lijn welke ook mede aan de basis ligt van het ontstaan van de Stichelbaut stam, was “De Oude Blauwe Bonte Duivin”. Samen met de “Oude Barcelona” kweekte Marcel Derumeaux duiven, die hoe lastiger de wedstrijd en langer de afstand voor ophefmakende uitslagen wisten te zorgen.

 

Aloïs Stichelbaut

Aloïs Stichelbaut was een man uit de heffe van het volk en van beroep was hij vlasser.

Het ontstaan van het wereldberoemde en veelzijdige ras Stichelbaut gaat terug naar het jaar 1922 toen Aloïs Stichelbaut twee duiven kon aankopen bij zijn vriend en dorpsgenoot Alfons Derumeaux. Deze beide duiven zouden mede de basis gaan vormen van het wereldberoemde ras Stichelbaut.

 

Alois Stichelbaut grondlegger van een wereldberoemd ras.

 

Daarbij kwam er van zijn oom Camiel Christiaans uit Stasegem een afstammeling van diens beroemde Bordeaux vlieger.

In 1927 kwamen hierbij duiven van de kolenmarchard en beroemde Antwerpse duivenkampioen Vincent Mariën.

In 1930 kreeg hij door toedoen van A. Vandecandelaere uit Wevelgem het soort van Lagae-Blondeel onder de pannen. Dit waren overwegend blauwe en zwarte duiven. Deze laatste vertoonden een bronzen glans in de pluimen dat veelvuldig te zien was in het Stichelbaut soort.

In 1933 deed Aloïs Stichelbaut dan aan samenkweek met het toen beroemde Bordeaux vliegerke van dorpsgenoot Armand Declercq.

Met deze duiven werd verder het fundament van het beroemde Stichelbaut ras verbreed en tussen 1930 en 1940 werden hiermee opzienbare uitslagen behaald over de gehele vluchtlijn van 150 tot 800 km.

 

De voornaamste duiven die de eigenlijke basis vormden waren o.a.

- “De Oude Crayonné Stichelbaut” gekweekt uit een kruising Derumeaux – Mariën – Lagae-Blondeel.

- “De Oude Geschelpte Stichelbaut” gekweekt uit een kruising Derumeaux – Mariën

- “De Schone Geschelpte Stichelbaut Duiver” gekweekt uit voornoemde combinatie en het “Bordeaux Vliegerke” van Armand Declercq.

 

Aanvankelijk speelde Aloïs Stichebaut het nestspel. Later zette hij zijn duiven ook op weduwschap.

Veel duiven had hij nooit op zijn hok want hieraan had hij een hekel. Beoordelen deed hij zijn duiven uiterst streng en zette altijd weinig duiven in de wedstrijden. Omwille van zijn sociale toestand, nam Aloïs Stichelbaut meer bepaald deel aan wedstrijden in eigen gouw. Hierdoor kreeg hij niet die publicitaire naam die zijn tijdgenoten wel kregen. Hij bleef hiermede in de schaduw van zijn roemrijke tijdgenoten. Zijn spel zocht hij in de maatschappijen o.a. in Lauwe, Menen, Ruislede, Doornik, Roeselare, Kortrijk, Heule, etc. en in de West-Vlaamse Vereniging (West-Vlaanderen)

Een aantal vliegduiven waren van uitzonderlijke klasse en zouden eveneens het ras Stichelbaut verder uitbreiden. Deze vlieg- en basisduiven waren o.a.

“Het Oud Bordeautje” ofwel “Het Oud Zwart” van 1931.

 

Een zwarte duivin met de bronzen kleur in de pluimen welke men zo vaak zou zien in de Stichelbaut duiven.

Zij vloog een hele serie kopprijzen bij elkaar van Dourdan tot Angoulême, o.a. een 4e en 7e vanuit Orleans, 1e Clermont, 8e Dourdan, 3e, 13e, 15e, 21e, 27e, 31e Angoulême, 11e Bordeaux etc.

“Het Oud Bordeautje” werd bij Aloïs Stichelbaut moeder en grootmoeder van een hele serie cracks en die liefhebbers welke er toen iets van wisten te bemachtigen slaagden er eveneens wonderwel mee. Jarenlang heeft het “Oud Bordeautje” overhand samen gezeten met haar zonen “De Goede Bleken” en de “Goede Zwarten”

 


“De Goede Bleken” van 1934, een zwarte doffer.

 

Vader van “De Goede Bleken” was de stamdoffer “De Oude Crayonné Stichelbaut”

Moeder was een dochter van stamdoffer “De Schone Geschelpte Stichelbaut” met “Het Bordeautje”

Deze duivin was een volle zuster van de “Opgeblazene” van 1936, wellicht de beste duif welke Aloïs Stichelbaut op zijn hok had.

“De Goede Bleken” won in zijn loopbaan 25 prijzen vanuit Angoulême en Bordeaux, waarbij 15 prijzen bij de eerste 10 waren. Hij miste slechts een maal zijn prijs in zijn loopbaan. Hij werd twee keer fondkampioen van West-Vlaanderen (ingericht door de Westvlaamse Vereniging). Dit was in 1937 en 1938. Enkele topprestaties uit zijn palmares.

1e Bordeaux, 1e Ruffec, twee keer 2e Bordeaux, 3e Angoulême, 3e Ruffec, 4e Angoulême, 5e Angoulême enz.

„De Goede Bleken“ was de lievelingsduif en de grote favoriet van Aloïs Stichelbaut. Heel vaak stond hij bovenaan de intekenlijst.

 

 

“De Goede Zwarten” van 1934

 

Een zwarte doffer waar eveneens de Bronzen kleur te zien was.

Zijn vader was de “Wittenbek” broer van de “De Oude Crayonné Stichelbaut”

Moeder was “Het Oud Bordeautje”

Ook hij was een puike vlieger en won 19 prijzen uit Angoulême en Bordeaux met daarbij acht prijzen in de top tien. Drie keer wist hij een eerste prijs te winnen.

1e Angouleme Ruislede, 1e Ruffec Kortrijk, 1e Bordeaux Kortrijk.

Hij hielp mede met het winnen om in 1937 en 1938 het kampioenschap te winnen van de Westvlaamse Vereniging.

 

De “Opgeblazene” van 1936

 

Een geschelpte doffer en wellicht de beste duif welke Aloïs Stichelbaut ooit kweekte.

Zijn vader is “De Schone Geschelpte Stichelbaut Duiver”

Moeder is wederom “Het Bordeautje”

Hij heeft slechts twee seizoenen (1938 en 1939) aan de fondvluchten kunnen deelnemen. Hij won toen 10 prijzen van de 10 inkorvingen uit Angoulême waarvan er 7 bij de eerste 10 waren.

Hij won o.a. 1e, 2e, 3e en 4e Angoulême en 2e Poitiers Kortrijk en 3e Angoulême Menen.

 

Aan de “Opgeblazene” hangt een leuke anekdote.

In 1938 werd hij ingemand op een wedvlucht vanuit Tours. Hiervan keerde hij terug naar zijn hok terug en was dik en opgeblazen. Er had zich lucht opgehoopt tussen de huid, spieren en geraamte. Met behulp van een ontsmette naald maakte men een tiental gaatje in de huid zodat de lucht kon ontsnappen. Het euvel herstelde zich en de “Opgeblazene” kreeg zijn naam. Dit belette hem niet om zijn schitterende palmaressen voort te zetten tot de oorlog uitbrak in 1940.

 

In de oorlogsjaren kweekte Aloïs Stichelbaut nog een 6 tal duiven welke eveneens tot de basis van het naoorlogse ras Stichelbaut mogen gerekend worden.

Dit waren o.a.

- een zwarte doffer (60571 van ’42) uit “De Goede Bleken” met een dochter van de “Goede Zwarten”

- een zwarte doffer (420249 van 44) uit “De Goede Zwarten” met een dochter van de “Opgeblazen”

- een geschelpte duivin (119431 van 43) uit “De Opgeblazene” met een dochter van “De Goede Bleken”

- een zwarte duivin uit een zoon van “De Goede Bleken” met een dochter van “De Goede Zwarten”

- een geschelpte duivin (420248 van 44) uit een zoon van de “Goede Bleken” x dochter “Goede Zwarten” met een dochter van de “Goede Bleken”

- een geschelpte duivin (199010 van 44) uit de “Goede Zwarten” x dochter “Opgeblazene”.

 

Op de zolder van het woonhuis zaten de duiven van Alois Stichelbaut.

 

Aloïs Stichelbaut kruiste in het begin van zijn roemrijke carrière de duiven welke hij in die jaren had aangeschaft. Eenmaal hij in de gaten had welk een klasse hij op zijn hok had, deed hij noch sporadische een kruising. Hij trachtte voortdurend de kwaliteit van zijn eigen stam op te drijven en vast te leggen door het allerbeste zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen. Hierbij liet hij zich zeker niet afschrikken door te gaan kweken in aller-nauwste inteelt. Zo koppelde hij vaker de ouders tegen hun beste kinderen en onderwierp ze aan de zwaarste opdrachten. De mandselectie deed haar werk en de besten bleven het ras voortzetten.

De Stichelbaut duiven kenmerkten zich doordat ze lang, fijn en rassig waren. Ze waren niet grof of geweldig. Meest donker van kleur en af en toe met een witte stuit. Ze hadden zeer rijke ogen, meer chocolat en kastanje dan grijs- of witogen. Hun pluim was niet overvloedig maar je kon je daarin vergissen. Ze werden wel eens afgeschilderd als mager en miserabel. Maar er liepen onberispelijke kampioenen tussen net als bij de cracks van Maurice Delbar.

 

Na de oorlog voerde Aloïs Stichelbaut vier duiven in zijn stam toe om ze met zijn ingeteelde duiven te kunnen kruisen. Dit waren:

- een doffer van Leopold Bostyn uit Moorslede welke hij koppelde aan de eerder vermelde zwarte duivin uit een zoon van “De Goede Bleken” met een dochter van “De Goede Zwarten”.

Bostyn bezat toen al heel wat Stichelbaut duiven.

- twee doffers van Oscar Devriendt uit Moere. Deze werden gekoppeld met een dochter van de “Goede Bleken” resp. een dochter van de “Goede Zwarten”

- een duivin van Daniel Labeeuw uit Bissegem. Zij was een zuster van de voor-oorlogse “Frikke” van Labeeuw. Zij werd gekoppeld tegen de “Jonge Bleken” uit “Goede Bleken” x dochter “Goede Zwarte”.

Daniel Labeeuw was een goede vriend van Aloïs Stichelbaut en zijn stam bestond uit zuivere Stichelbaut duiven.

 

Van deze ingevoerde duiven waren enkel de twee Devriendt doffers van vreemd bloed.

Toen Aloïs Stichelbaut kort na de oorlog ernstig ziek werd, besloot hij om op 29 januari 1946, 15 doffers en 11 duivinnen in een verkoop te brengen in de Courrier Colombophile te Kortrijk. Vier duiven van zijn ras wilde hij behouden om indien hij van zijn ziekte zou genezen weer opnieuw te kunnen starten met zijn ras. Doch het mocht niet baten

Helaas kon Aloïs Stichelbaut ook de gedane kruisingen niet meer uittesten daar hij in maart 1946 overleed en werden de vier overgebleven duiven en de vier hieruit gekweekte jonge duiven op 15 Dec. 1946 eveneens publiek verkocht.

De eerste verkoop van de 26 duiven brachten na een oorlog, toen het geld nog schaars was, het aanzienlijke bedrag op van 145.000 Fr.

Doch de geschiedenis van het ras Stichelbaut zou met zijn dood nog niet eindigen. Het kwam zelf verder tot een ongekende bloei op diverse hokken waar de Stichelbaut duiven werden ingevoerd.

In een vervolg verhaal zullen we hier verder op in te gaan.