Stichting Fondduiven.nl

Welkom bij Stichting Fondduiven.nl

Nu online op fondduiven

We hebben 295 gasten en geen leden online

top

nlzh-TWenfrdeitjaptrues

 

Maurice Delbar Ronse

 

Wij gaan weer even terug in de tijd en wel naar het jaar 1899 toen er bij duivenmelker Oscar Delbar, in de Jan van Nassaustraat in de Oost-Vlaamse gemeente Ronse, zoon Maurice werd geboren. Op zijn tiende levensjaar zat Maurice al tussen de duiven van vader Oscar en niemand kon bevroeden dat dit knaapje, welke in 1921 startte met de duivensport, een begin zou maken aan het ontstaan van een der beroemdste zowel niet de beroemdste fondkolonies van de vorige eeuw. Al die jaren genoot hij als duivenliefhebber een bekendheid die zich over de gehele wereld verspreidde en werd beschouwd als de beste fondliefhebber aller tijden. En nu meer dan 100 jaar later geniet het ras Delbar nog steeds diezelfde bekendheid als weleer.

 

Piet de Weerd die in de gloriejaren bij Maurice Delbar een vaste bezoeker was, omschrijft Maurice als een persoon welke andere liet praten. Hij behoorde tot de gelukkige mensen die vrienden konden maken en ze, zonder er veel moeite voor te hoeven doen, ook wisten te behouden. Hij was een rijzig man en oogde als een sportfiguur. Hij was ‘Gentleman like’. Zijn manier van optreden was natuurlijk en ongedwongen, sympathiek en correct. Hij liet een indruk achter van iemand die met mate van de goede gaven van het leven wist te genieten. ’s Zomers was het een en al duiven terwijl hij in de winterdag zijn jachtgeweer uit de kast haalde om er mee op groot wild te gaan jagen samen met zijn vriend grote Hector Berlengée uit Aspelare. Als men hem vroeg wat zijn ‘gedacht’ was over een bepaalde theorie, zoals de vleugeltheorie, dan kreeg men te horen: “De melkers worden zot gemaakt, ’t is een echte ramp, zulle!”. Zijn methode was die van de eenvoud.

 

De familie Delbar runde een familiebedrijfje in de Jan van Nassaustraat, n.l. een garenververij waarvan de naam op de firmaplaat aan de muur van het atelier stond aangegeven als “Tenturerie Du Soleil”. Drie generaties hebben hier de zaken draaiende gehouden, vader Oscar, zoon Maurice en o.a. diens zoon Mick. Niet alleen in het zakendoen volgden ze elkaar op, maar ook in de duivensport en het was een roemrijke familie. Vader Oscar wist zich al te onderscheiden op de nationale vluchten in het begin van de 20e eeuw. Zoon Maurice startte zijn duivenloopbaan in 1921 en na zijn overlijden in 1986 werd de kolonie verder gestuwd door zoon Mick, die heden ten dage als krasse midden 80er nog steeds actief is in de duivensport. Vanaf 1960 kreeg Maurice hulp van zijn zoon Mick. Hij hield zich in het begin hoofdzakelijk bezig met de verzorging van de jonge duiven.

 

                                           De hokken boven het atelier "Tenturerie du Soleil"

 

De hokken waren ingericht boven het atelier en bestond uit drie vlieghokken. Op twee ervan waren de 24 oude weduwnaars ondergebracht. Op de derde afdeling zaten de 16 jaarlingen. Deze hokken waren het gehele jaar door droog en met veel lucht in de open ruimte van de zolder. Ze werden beschouwd als ‘wonderhokken’ waar de duiven zonder veel moeite super gezond op konden blijven.

 

Een rijk verleden.

Vader Oscar had in de jaren voor de eerste wereldoorlog een fondman, n.l. de “Blauwe Vier” op de hokken die in de gehele regio was gevreesd als hij boven Parijs werd ingezet. Hij werd in 1913, het laatste jaar voor de eerste wereldoorlog, ingezet op St. Vincent de Tyrosse te Brussel en won er met verve de 4e prijs nationaal. Wellicht had hij nog meer kunnen schitteren doch de oorlog gooide roet in het eten. In de oorlogsjaren werd er uit de duiven verder gekweekt. Zijn faam was ook de bezetters ook ter ore gekomen en op een kwade dag in 1918 stopte er een legerwagen voor de deur van de familie Delbar en alle duiven werden opgeladen en afgevoerd naar Duitsland. Er was niemand die erin geloofde er ooit nog een pluim van terug te zullen zien.

Vader en zoon Delbar gingen niet bij de pakken neerzitten en ze zouden kost wat kost ervoor zorgen dat ze hun goed terug zouden halen. In november 1918, direct na de wapenstilstand togen ze naar de geallieerde bezettingstroepen in het Rheinland om op zoek te gaan naar hun duiven. Wonder boven wonder werden er zes duivinnen terug gevonden. Hiervan waren vijf dochters van de “Blauwe Vier”. Zo konden ze na de oorlog snel weer een herstart maken van een nieuwe kolonie met als basis de lijn van de “Blauwe Vier”

In de loop van de jaren die volgden tot aan de tweede wereldoorlog werden en nog diverse duiven aangeschaft bij liefhebbers zoals (in niet chronologische volgorde van tijd):

-          Duiven van de sterk vliegende liefhebber Moreels te Brussel van het soort van Franske de Loof uit Ledeberg. De duiven van De Loof waren zuivere De Ridders uit Dendermonde (Wegge de Herdt), van Paul Sion uit Tourcoing (Fr.) en Julien Commenie te Leers-Nord.

-          Duiven van d’Hondt van Gravere en plaatsje bij Gent.

-          Twee schitterende duivinnen van Oppens te Ronse, soort van Portois-Rasson en een van Valeer Portois uit Ronse (vader van Joseph Portois). Hier ging het om de “Prinses” dochter van diens “Bordeaux” (1e Interprov.) en zus van de 2e Bordeaux (Interprov.)

-          Duiven van onafscheidbare vriend van Maurice, nl. Charles van der Espt.

-          Verder Hector de Smet, Oscar de Vriendt en George Goossens uit Evere.

-          Duivin “Klein Juweel” van ’32 kwam van de Franse liefhebber Felix Outryve (Roubaix) welke een zuster was van diens St. Vincent ofwel de “Villa” (1e Internat. in 1938). Het was nog van het Delbar soort.

-          Bij burgermeester Depreter uit Putte bij Mechelen kwamen duiven van diens Karel Wegge en Simon Frank (Hallaar) soort.

-          Duivin “Goede Kweekster” van ’33 kwam van Adelson Delouvroy te Ronse

-          Gebroeders Danhaive uit Basècles (o.a. Bricoux, Horemans, De Smet)

 

In het begin werd er nogal veel gekruist en uit deze duiven had Maurice in 1928 vier duiven waarvan hij twee kweekkoppels formeerde waar een hele serie kampioenen uit werden geboren.  

Het waren:

-          De geschelpte witpen doffer, de “Witpen” B28-2204993. Hij was van het oude ras en zuiver gehouden in het bloed. Een briljant vlieger met kopprijzen op alle afstanden. Op de fond werd hij niet ingezet. In de maatschappij Unique te Ronse vloog hij o.a. 1e Dourdan, 2e Ribercourt, 3e Orleans, 4e Quevy, 4e Quevy, 4e Cambrai, 4e Angoulême , 5e Vendome enz . en dit steeds tegen meer dan 1000 duiven. Hij was een broer van de beroemde “Jabot”, “Witoog”, “Witneus” enz. welke eveneens grote kampioenen waren. Hij werd vader en grootvader van een hele serie kampioenen.

-          De “Prinses” B25-2111418, een licht geschelpte duivin van Valeer Portois uit Ronse. Zuster van zijn 2e prijs Bordeaux en dochter van zijn 1e prijs Bordeaux. Zij was een extra kweekster.

-          Uit voornoemde “Witpen” van ’28 x de “Prinses” van Portois werd een blauwe duiver geboren met ringno B28-4199357 welke als naam de “Goede Kweker” mee kreeg. Hij zag de mand nooit maar werd een begenadigd kweker. Nooit gaf hij een jong dat slecht was.

-           Geschelpte Witpen duivin B28-2523831 “Depreter” welke afkomstig was van burgermeester Depreter uit Putte.

De “Goede Kweker” gekoppeld aan de “Depreter” duivin werden de ouders van een hele serie kampioenen waarvan de een nog beter was als de ander. Zij stuwden het hok Delbar naar een eenzame hoogte.

 

 

 

 

De beroemdste kinderen van dit koppel waren o.a.

-          De blauwe doffer, de “Kleine Blauwe” B27-4177004 (was van 29) een buitengewoon vlieger en kweker. Onder Parijs vloog hij best maar op latere leeftijd behaald hij o.a. 2e Bordeaux, 2e Bordeaux, 5e Bordeaux, 6e Angoulême, 6e Bordeaux (België – Holland 2456 d.) Slecht 6 duiven thuis de eerste dag, 13e Dax, 42e Angoulême, 106e Pau enz.

-          De blauwe doffer, de “Biarritz” B30-4253761 wederom een briljant vlieger met o.a. 1e Biarritz, 7e Orléans, 7e Dax, 67e Dax, 71e Biarritz, 72e Tours, 378e Bordeaux etc. Voor de kweek was hij wellicht nog beter en werd vader en grootvader van diverse toppers in die tijd. Adolf Plisnier uit Waterloo, Hector Berlengée uit Aspelare en Charles Van der Espt te Oostende slaagden geweldig met kinderen uit de “Biarritz”

-          De geschelpte witpen, de “Dax” B31-4244827 eveneens een begenadigd vlieger en kweker zowel onder als boven Parijs. Vloog o.a. 1e Nat. Narbonne, 2e St. Vincent (Dubb. Nat. 1e), 2e Dax, 4e Poitiers, 6e Dourdon, 14e Dax, 25e Biarritz, 37e Chateauroux, 40e Angoulême, 68e Dourdan, 66e Orléans etc. Op de Olympiade in Keulen (’38) klasseerde hij zich als 2e achter de duif “Het Rêve” van Hector de Smet.

-          De blauw bonte doffer, de “Bariolé” droeg een ring van ’19 en was van ’32 – B19-61035. Hij won o.a. 2e Nat. en Internat. Narbonne, 13e St. Vincent, 16e Bordeaux, 21e Angoulême, 21e St. Vincent, 31e St. Vincent, etc.

-          De blauwe witpen doffer, de “Barcelona” B31-4244529 was vlg. Piet de Weerd een der schoonste vogels, puur van de kwaliteit, die er ooit bestaan hebben. Hij won o.a. 1e Lourdes (14e Nat. – 5e Internat), 2e Biarritz (24e Nat.), 4e Barcelona (106e Nat.), 4e Narbonne (4e Nat.), 9e Pau, 12e St. Vincent (12e Nat.), 30e Bordeaux, 41e St. Vincent etc.

-          De licht geschelpte doffer en wel de primus inter pares van het hok Delbar, de “Kleine Geschelpte” of “Kleine Lichte” B32-4293562. Hij was een uitzonderlijk vlieger. Won o.a. 2e en een 10e Angoulême, 3e Narbonne (16e Nat.), 4e Dax, 3e Bordeaux, 5e Biarritz, 10e Chateauroux, 17e Biarritz (9e Nat.), 19e Dax. En verder op diverse vluchten vanuit St. Vincent won hij een 3e, 4e, 10e prijs. Als zesjarige won hij in 1938 de 2e regionaal, 3e Nationaal, en de 4e Internationaal. Een jaar later, dus als 7 jarige won hij van dezelfde St. Vincent 1e regionaal, 1e Belgische Entente, 1e Nationaal en 1e Internationaal (2 uur en 10 min. vooruit). 

Hij heeft voor zijn baas een fortuin gewonnen en mag als beste duif van het land worden beschouwd, aldus Maurice Delbar. Nadien heeft hij met diverse duivinnen heel goed kweek gegeven en zijn de kinderen ervan over de hele wereld verspreidt. Hij is 17 jaar oud geworden en in 1950 bewoonden er tussen de 50 en 60 afstammelingen van de “Kleine Geschelpte” de hokken in Ronse.

-          En zusters van deze doffers waren uitstekende kweekduivinnen, zoals “Kleine Blauwe Duivin” en “Witpen”, beiden van ’29 en de “Witvlek” van ’32. Ook zij hebben hun steentje bijgedragen aan de geweldige opmars.

 

Naar de zware fond

Van 1924 tot 1931 behaalde Maurice steeds het kampioenschap in het Lokaal Unique te Ronse. Daarna begon hij er fond mee te spelen en in 1935 legden men hem al netjes beperkingen op en werd zo gedwongen zijn toevlucht te gaan nemen tot de regionale, provinciale en nationale concoursen. Dit werd een nieuwe en machtige impuls voor Maurice Delbar. En al snel zou blijken welk een macht en uithoudingsvermogen deze ongelofelijk sterke en ‘raszuivere’ Delbars bezaten en hoe groot hun fokwaarde was met het oog op versterking van andere fondrassen.

Maurice vloog op de grote vluchten met slecht 24 oude weduwnaars. Per vlucht mande hij max. 6 duiven in. Liever en vaker nog met minder. De jaarlingen werden enkel gespeeld tot vluchten van 600 km en liet ze daarna verder uitgroeien. Als jong werden ze heel voorzichtig opgeleerd. Zijn motto was, uit de besten kweken, op de jongen zuinig zijn en laten uitgroeien en als ze rijp waren de baan op.

In de gloriejaren werden op de grote fond prestaties neergezet welke ieders verbeelding tarten en tot op heden onnavolgbaar zijn gebleven. Zo won hij in die jaren in een seizoen van 24 ingezette duiven op de nationale vluchten Biarritz, Narbonne en twee maal St. Vincent eventjes 24 nationale prijzen. Een wereldrecord.

Enkele memorabele uitslagen van het hok Delbar in de periode voor de tweede wereldoorlog.

1935 Dax Nationaal Entente Belge met vier duiven mee won hij 2-7-11 en 13

Angoulême Aalst interprovinciaal 1-2-3 en Delbar had er slechts 3 mee. Op de dag van lossing kwamen er slecht drie duiven door.

1937 vanuit Narbonne. Nationaal prijzen 1-2-4-5-9-18 en internationaal 1-2-4-6-16 en 65 en te weten dat er slecht 6 duiven werden ingezet. Hiermee verwierf hij onsterfelijke roem.

St. Vincent in 1938 met nationaal 1-3-5-13 en 14 en internationaal 2-4-12-31 en 32 met wederom 6 duiven mee.

Beide laatste vluchten werden vervlogen in lastige omstandigheden en kenden een aartsmoeilijk verloop. Op een dergelijke wijze wisten de Delbar duiven iedereen te overtuigen van hun macht en kracht.

 

 

Standaard type

De duiven van Maurice Delbar werden door Piet de Weerd als volgt beschreven en gekarakteriseerd. Het zijn prachtige standaard types met ogen als karbonkels, vol rijke kleur en tekening. Zo werd de “Dax” in 1938 als tweede geclassificeerd op de Duiven Olympiade in Keulen.
Ze munten uit in drie opzichten: - schitterende ogen, - ‘nooit geziene’ (zo perfect) kelen en berenkracht. Voor het overige zijn het eenvoudige vogels, rustig van aard, een beetje onbehouwen, hoewel niet grof en met opvallend weinig neusvlees. Geen stroomlijn of voordelige vormen, maar krachtpatsers tot en met.

Ogen en spieren, ziedaar het geheim van Maurice Delbar. Zijn duiven vliegen zuiver op hun bloedrijkdom en hun uithoudingsvermogen. Als zij vakkundig gevoerd zijn en goed uitgerust, komt er aan die macht geen einde. Het zijn locomotieven. Eenmaal in de lucht hangend moeten zij aan de karavaan trekken en sleuren.

Hun spieren liggen in machtige bundels dwars op de kam, volkomen los, levend, taai en elastisch als Natuur Havea.

Tot zo ver Piet de Weerd.

 

Maurice Delbar vertelde zelf dat hij uitsluitend kweekte in bloedverwantschap. Niet gemakkelijk met vader en dochter of moeder en zoon, maar gerust met halfbroer maal halfzuster. Kruising van de beste rassen gaf naar zijn ervaring geen 10 % goede nakomelingen, terwijl hij in bloedverwantschap zeker van 60% verzekerd was. Hij ruilde graag met vrienden welke het soort van hem bezaten.  Sporadisch nam hij proeven met enkele jongen van een ander bekend ras met als doel te onderzoeken wat deze duiven waard waren. Als hij er al mee lukte werd ze direct teruggepaard aan zijn oude ras.

Maurice Delbar vertelde tevens dat de echte goede fondduiven zeldzaam zijn. Vooral deze die het gedurende vele jaren uithouden. Daarom mogen ze geen enkel gebrek hebben. Hij selecteerde zijn vlieg- en kweekduiven met strengheid. Prutsen aan de duiven werd er niet gedaan.

Wordt vervolgt.